Strijd over controversieel verklaren van wetten begonnen

Redactie politiek

DEN HAAG – Het kabinet heeft amper zijn ontslag aangeboden of de strijd in het parlement en de lobby van buiten Den Haag over het controversieel verklaren van wetsvoorstellen is al losgebarsten.
De grootste oppositiepartij, de PvdA, zette maandag al meteen een streep: de stemming over de Wet werken naar vermogen moet van tafel. Als de wet er toch nog even snel wordt doorgedrukt, beschouwen de sociaaldemocraten dat volgens PvdA-Kamerlid Hamer „als een provocatie.”Vakcentrales FNV, CNV en MHP verklaarden vanmorgen dat de bezuinigingen op het passend onderwijs ook controversieel verklaard moeten worden. Vakbond christennetwerk|gmv dringt er juist op aan om ondanks de politieke crisis tóch de arbeidsmarkt te hervormen.

Nu is het een goed gebruik dat een demissionair kabinet niet gaat proberen over zijn graf heen te regeren. Tot en met de installatie van een nieuwe Kamer zullen min of meer omstreden onderwerpen niet meer worden behandeld.

Voor het buiten de orde plaatsen van wetten en kabinetsplannen geldt geen formele procedure. Gebruikelijk is dat de Tweede en de Eerste Kamer beide een lijst opstellen met zaken die volgens hen even in de wacht moeten worden gezet. Op die lijst komen plannen die een „substantiële minderheid” van de Kamer niet meer wenst te behandelen. Dat is natuurlijk een rekkelijk begrip. Maar in Den Haag geldt een soort herenakkoord dat de meerderheid royaal rekening houdt met de wensen van de minderheid die een wet controversieel wil verklaren.

Na de val van het vorige kabinet in 2010 heeft de Tweede Kamer wel 300 kabinetsplannen in de ijskast gezet. Op die lijst stonden beladen thema’s als de kilometerheffing, de verhoging van de AOW-leeftijd, de evaluatie van de Embryowet en de wijziging van de enkelefeitconstructie in de Algemene wet gelijke behandeling, maar ook technische onderwerpen zoals de Deltawet.

Op die enorme lijst van de Kamer kwam destijds veel kritiek. Toenmalig minister Donner (Sociale Zaken) klaagde dat er zelfs brieven op stonden die hij nog niet eens had geschreven. Ook D66-leider Pechtold plaatste kanttekeningen: „Er moet wel geregeerd worden.” PvdA-fractievoorzitter Samsom pleitte daarom maandag in de Volkskrant voor „terughoudendheid”, gezien de scheutigheid in 2010.

Overigens gingen andere zaken wel weer gewoon door. De Senaat 
nam de Crisis- en herstelwet aan en behandelde ook het kabinetsplan om de wildgroei aan koopzondagen aan banden te leggen.

Als de Staten-Generaal de komende tijd opnieuw lijsten gaan opstellen van controversiële onderwerpen, is het afwachten wat de PVV doet. Schaart die zich achter de oppositie, of zal ze de plannen van de uiteengevallen coalitie toch willen behandelen?

Voor plaatsing in de ijskast komen voorstellen in aanmerking zoals het pensioenakkoord, de strafbaarstelling van illegaliteit, de bezuinigingen op speciaal onderwijs, de minimumstraf voor recidivisten en de verhoging van griffierechten.

Anderzijds kan de Kamer juist in deze crisistijd laten zien dat hij als medewetgever ook kan regeren. Geen stilstand dus, maar aanpakken.

Bron: www.rd.nl

 

Hoe gaat het met de pilot loondispensatie?

19 april 2012 – Als de Wet werken naar vermogen (WWNV) in 2013 van kracht wordt, kan uw onderneming in aanmerking komen voor loondispensatie voor werknemers die door een beperking minder productief zijn. U betaalt hen dan alleen loon voor de productiviteit die ze werkelijk leveren. In 32 gemeenten is hiermee al sinds 2010 een proef bezig, die kortgeleden is geëvalueerd.

Al sinds 2010 is in 32 Nederlandse gemeenten de pilot loondispensatie aan de gang. In het bericht ‘Gemeenten voor pilot loondispensatie bekend’ kunt u lezen welke gemeenten hieraan deelnemen. In deze gemeenten kunnen mensen die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, een verlaagd loon ontvangen in een reguliere onderneming. Dit moet hun kansen op de arbeidsmarkt verbeteren. De gemeente vult hun loon aan tot maximaal het minimumloon.

Door loondispensatie gemiddeld € 106 extra

Kortgeleden heeft staatssecretaris De Krom van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de derde voortgangrapportage van de pilot loondispensatie naar de Tweede en Eerste Kamer gestuurd. Daaruit blijkt dat de invoering alleen succesvol is als werkgevers de meerwaarde van de maatregel zien en er op de juiste manier door de gemeente voor worden benaderd. Gemiddeld komt ruim 80% van de aanvragen daadwerkelijk in aanmerking voor de inzet van loondispensatie. Werklozen die in een reguliere onderneming gaan werken met loondispensatie, gaan er gemiddeld € 106 per maand op vooruit. Wel blijken de gemeentes allemaal hun eigen manier te gebruiken om de loonwaarde van een werknemer te bepalen. Dat is niet de bedoeling, dus de staatssecretaris zal de definitie van loonwaarde nog vóór de landelijke invoering van de regeling aanscherpen. De ervaringen uit de pilot zullen worden verwerkt in een stappenplan dat alle gemeenten bij de verwachte invoering van de WWNV per 2013 krijgen.

Loondispensatie bestaat al voor Wajongers

Voor werknemers met een Wajong-uitkering bestaat de regeling loondispensatie al jaren. Als een Wajonger door zijn ziekte of handicap minder aan kan dan uw andere werknemers, is het soms toegestaan om minder loon uit te betalen. Als zijn inkomen daardoor onder het minimumloon komt, kan de werknemer recht hebben op een aanvullende uitkering. UWV vult het loon dan aan tot minstens 75% van het minimum(jeugd)loon. Van de Wajongers die bij een reguliere onderneming werken, werkt nu ongeveer een derde met behulp van loondispensatie.

Actieplan CU voor Wet werken naar vermogen

18-04-2012 09:56 | Redactie politiek

DEN HAAG – Een succes vindt de ChristenUnie de Wet werken naar vermogen op dit moment niet, maar dat kan hij volgens de partij wel worden.

Dat stelt de partij in een woensdag verschenen actieplan. De Tweede Kamer buigt zich vandaag en morgen over de wet van staatssecretaris De Krom die mensen met een arbeidsbeperking vaker bij een gewone werkgever aan de slag moet zien te krijgen.

Om de wet tot „een succes” te maken doet de CU twaalf aanbevelingen, waaronder het trainen van vrijwilligers om werknemers te begeleiden, een betere aansluiting van onderwijs op werk en het maken van concrete afspraken met sociale partners omtrent het in dienst nemen van mensen met een beperking.

bron: www.rd.nl

‘Pas na Catshuis stemmen over Wet werken naar vermogen’

UPDATEGroenLinks, PvdA, ChristenUnie en de SP willen dat de stemming over de Wet werken naar vermogen (WWNV) wordt uitgesteld tot nadat het Catshuisoverleg is afgerond en behandeld in de Tweede Kamer.

GroenLinks-Kamerlid Jesse Klaver stelde dat vandaag voor in het Kamerdebat over de wet van staatssecretaris Paul de Krom van Sociale Zaken. Klaver denkt dat de uitkomst van het Catshuisberaad de stemming in de Kamer kan beïnvloeden. Hij zei te hopen dat de financiële ruimte voor uitvoering van de wet opgerekt kan worden. Zoals die er nu ligt, kan hij niet anders dan de wet afwijzen. ‘En daar baal ik van, want de sociale zekerheid moet hervormd worden, maar daar heb ik met deze regeling geen vertrouwen in.’ De Krom heeft wel de steun van de regeringspartijen VVD en CDA en van gedoogpartner PVV.
Het kabinet wil met de wet per 2013 de bijstand, sociale werkplaatsen en de Wajong-regeling, voor jonggehandicapten, samenvoegen om zo meer mensen met een beperking aan de slag te krijgen en daarnaast op termijn 1,8 miljard euro bezuinigen.
Verwachting Klaver denkt dat de verwachtingen van het kabinet dat meer mensen een betaalde baan krijgen niet zullen uitkomen. Volgens hem denkt De Krom bovendien meer aan de 1,8 miljard euro die hij wil bezuinigen dan aan de 2 miljoen mensen die direct of indirect met de wet te maken kunnen krijgen.
De Kamer heeft de afgelopen dagen al ruim 18 uur gedebatteerd over het wetsvoorstel, dat De Krom ruim een jaar geleden indiende. Hij wil dat de wet ertoe leidt dat meer mensen met een beperking bij een ‘gewone’ werkgever aan de slag kunnen en de toegang tot de sociale werkvoorziening en Wajong fors wordt beperkt. De Krom denkt ook dat ongeveer de helft van de 355.000 mensen in de bijstand geheel of gedeeltelijk kan werken. De gemeenten worden belast met de uitvoering van deze nieuwe wet.
De Kamer liet de afgelopen dagen blijken moeite te hebben met de bureaucratie in de wet, zoals de toets die moet aantonen of bedrijven recht hebben op aanvulling van het loon door gemeenten. De Kamer vindt die toets overbodig.

Bron: Trouw

 

Dijkgraaf (SGP): Veel mensen gediend met Wet werken naar vermogen

DEN HAAG –„Positief” staat de SGP tegenover de nieuwe Wet werken naar vermogen (WWNV), die meer mensen met psychische, fysieke of sociale beperkingen aan het werk moet krijgen. Maar de steun van de staatkundig gereformeerden krijgt het kabinet niet zomaar. „Als het mis gaat, zal het Rijk zijn verantwoordelijkheid moeten nemen.”

Volgende week spreekt de Tweede Kamer over de wet van staatssecretaris De Krom (VVD) van Sociale Zaken, die deze kabinetsperiode 800 miljoen euro moet opleveren. Als onderdeel van de WWNV werden recent al de regels voor de bijstand aangescherpt. Vanaf 2013 wil De Krom sociale werkplaatsen (SW-bedrijven) en de Wajongregeling voor jonggehandicapten alleen nog openstellen voor de zwaarste gevallen. Wie onder begeleiding in een reguliere baan kan werken, moet daar aan de slag. Dat kan bijvoorbeeld met loondispensatie, waarbij de werkgever mensen met een arbeidsbeperking louter betaalt naar hun productiviteit en de gemeente het salaris aanvult tot maximaal het minimumloon.

SGP-Kamerlid Dijkgraaf staat „positief” tegenover de wet die de huidige wirwar aan regelingen voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt samenvoegt tot één pakket. „Ideaal is anders, want het wetsvoorstel bevat ook vreemde keuzes. Zo krijgen mensen met meer arbeidsvermogen minder loon dan zij die minder arbeidsvermogen hebben. Goed is wel dat de wet veel meer spreekt in termen van kansen op werk. De wijze waarop we mensen met een beperking nu vaak permanent wegzetten in SW-bedrijven, vind ik niet kunnen. Velen van hen zijn er enorm mee gediend wanneer ze met enige hulp in een normale werkomgeving aan de slag kunnen. Daarnaast kan de sociale werkvoorziening simpelweg niet doorgroeien zoals in de achterliggende jaren. Dat is financieel onhoudbaar.”

Volgens Dijkgraaf, die recent diverse gemeenten en sociale werkplaatsen bezocht, wordt de algemene gedachte achter de nieuwe wet ook breed ondersteund. „De richting is het probleem niet. Wél de vraag of wat het kabinet wil ook realiseerbaar is.” Cruciaal is volgens de SGP’er dat SW-bedrijven en gemeenten voldoende financiële middelen hebben om de nieuwe wet uit te kunnen voeren. „Ook zullen al die reguliere banen waar mensen met een arbeidsbeperking straks moeten instromen er natuurlijk wél moeten zijn. In beide gevallen willen wij dat het Rijk zijn verantwoordelijkheid neemt als bij de geplande evaluatie in 2014 blijkt dat het hieraan schort.”

Hoe belangrijk is dit voor u?

„Heel belangrijk. Op beide punten komt de SGP met moties. Als het kabinet niet zorgt voor waarborgen, dan zullen we de wet niet steunen. Het kan niet zo zijn dat alle bestaande onzekerheden rond de wet door het Rijk over de schutting worden gegooid bij gemeenten en SW-bedrijven. Dat men dus feitelijk zegt: Zoek het maar uit. Dat kun je niet maken. Ook vinden we dat gemeenten, als de wet tot grotere successen leidt dan men nu verwacht, mee moeten profiteren van die lusten. Andersom vind ik óók dat zij, tot op zekere hoogte, dan moeten meedelen in de lasten bij tegenvallers. De Krom moet hierover in gesprek met gemeenten.”

Critici vinden loondispensatie een ingewikkeld instrument.

„Dat vinden wij ook. Eerst is er de toegangstoets die moet bepalen of iemand in staat is om met loondispensatie aan de slag te gaan. Dan volgt de loonwaarde­toets die bepaalt hoeveel loon de werkgever moet betalen. En dat proces, bij vele duizenden mensen, herhaalt zich ieder jaar opnieuw. Daar komt een hoop bureaucratie bij kijken. Al die ambtelijke inzet kan volgens ons beter worden aangewend om mensen goed te begeleiden.”

Tijdens een hoorzitting noemde een werkgever het „gênant” om, zoals de wet stelt, mensen onder het minimumloon te betalen.

„Ik vind het verdedigbaar om mensen te belonen op basis van hun verdiencapaciteit, zolang ze niet onder het sociaal minimum terechtkomen. Als je feitelijk niet in staat bent het minimumloon te verdienen, waarom zou dit dan wel betaald moeten worden? Overigens is die optie beperkt tot maximaal zeven jaar. Doel is juist dat mensen met een beperking toegroeien naar dat minimumloon. Vreemder is dat de wet geldt voor nieuwe gevallen en er voor de huidige mensen in SW-bedrijven niets veranderd, zodat zij tot 140 procent van het minimumloon blijven verdienen. Op die manier gaat er geen enkele prikkel naar hen uit om óók regulier werk te vinden. Ons voorstel is om de lonen van mensen in de nieuwe regeling harder te laten groeien dan van het zittende bestand, zodat beide groepen op termijn naar elkaar toe groeien.”

Ministerie: budget Wsw is voldoende als gemeenten hervormen

De cao voor de sociale werkvoorziening is een verantwoordelijkheid van gemeenten; niet van het Rijk. En het uitvoeren van de Wsw door gemeenten kan veel efficiënter.

Dat is de reactie van het ministerie van Sociale Zaken op de vorige week gepubliceerde uiteenzetting van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). “De verhouding tussen de actieve beroepsbevolking en beschut werken is nergens zoals in Nederland”, stelt woordvoerder Nico Mokveld van het ministerie.

Het ministerie voelt zich gesteund door een rapport van de commissie Westerlaken, waarin de budgetkorting uit het regeerakkoord niet als een groot probleem wordt gezien. “Het kan ook met dit budget”, zegt Mokman. “Maar dan moeten gemeenten en SW-bedrijven wel hervormen.”

Het rapport van Westerlaken doet aanbevelingen in die richting. De kern van het verhaal: ze moeten geen ‘mensontwikkelbedrijf’ meer zijn, die bedrijven. Dat is een ideologische en prijzige opgave.

Het toekomstige SW-bedrijf zou er slechts moeten zijn voor mensen die echt niet kunnen functioneren in een reguliere baan, wat gecombineerd kan worden met dagbesteding binnen de AWBZ. Tegelijk zouden SW-bedrijven ook detacheerders kunnen worden voor mensen die enigszins beperkt zijn te functioneren in een reguliere baan, is een van de adviezen.

Cao

Belangrijk punt voor de VNG is de betwiste medeverantwoordelijkheid van het ministerie als het gaat om de cao voor medewerkers van de sociale werkvoorziening. De vereniging ziet de budgetkorting en het zogeheten zittende bestand van medewerkers als een financieel debacle en vraagt het ministerie verantwoordelijk te nemen en dan vooral met een grotere zak geld over de brug te komen.

Het ministerie ziet de uitvoering van de Wsw en het bepalen van de cao voor medewerkers echter als de volledige verantwoordelijkheid van gemeenten. “Bij de herziening van de Wet Sociale Werkvoorziening in 1998 is de verantwoordelijkheid over CAO’s met instemming van de gemeenten overgedragen”, zegt Mokveld, die een deel van de wet citeert.

“Met de totstandkoming van een CAO voor de sociale werkvoorziening wordt de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden duidelijk en bewust verlegd. De gemeenten en de werknemersorganisaties krijgen een gelijkwaardige positie in het overleg, terwijl de rijksoverheid zich terugtrekt.”

Geld

Dan het geld. Dat is genoeg, stelt het ministerie. De woordvoerder zet de bedragen op een rij: “Gemeenten ontvangen in 2015 een gebundeld re-integratiebudget van 2,6 miljard euro voor de uitvoering van de Wsw en de re-integratie van andere groepen binnen de Wet werken naar vermogen.”

Het bedrag voor re-integratie neemt geleidelijk toe van 722 miljoen euro in 2012 tot ongeveer 800 miljoen in 2015, met ruim 1,2 miljard structureel. Staatssecretaris Paul de Krom van Sociale Zaken gaf onlangs in een brief aan de Tweede Kamer nog aan dat gemeenten de taak ook met een jaarlijkse ‘efficiencykorting van 3,6 procent, goed kunnen uitvoeren.

“In de berekening van de VNG zou in 2015 2.177 miljoen aan de Wsw opgaan aan circa 81.000 plekken”, laat De Krom weten. “Gemeenten zouden dan nog ruim 400 miljoen te besteden hebben aan trajecten en begeleidingskosten.  De regering acht dit een irreële voorstelling van zaken.”

bron: gemeente.nu

Partijen willen minder bureaucratie in nieuwe bijstandswet

DEN HAAG – Meerdere partijen in de Tweede Kamer, waaronder coalitiepartijen VVD en CDA, vinden dat de nieuwe wet die mensen met een uitkering aan het werk moet helpen te bureaucratisch.

Foto:  ANP

Deze zogeheten Wet werken naar vermogen (WWNV) van staatssecretaris Paul de Krom (Sociale Zaken) bundelt een aantal sociale regelingen, waaronder de uitkeringsregeling voor jonggehandicapten (Wajong), de sociale werkvoorziening (WSW) en de bijstand.

De wet, die is opgenomen in het regeerakkoord tussen CDA en VVD, bevat maatregelen die het voor werkgevers aantrekkelijker moeten maken om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen.

Zo zorgt loondispensatie er voor dat werkgevers alleen betalen voor wat er daadwerkelijk geproduceerd is. De gemeenten, verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet, vullen het inkomen aan tot minimumloon.

Toegangstoets

CDA-Kamerlid Mirjam Sterk zegt tegenover NU.nl af te willen van de toegangstoets die gemeenten extern moeten laten uitvoeren om te bekijken of werkgevers wel recht hebben op loondispensatie. Deze regeling geldt immers voor mensen die niet in staat zijn om 100 procent te werken.

D66-Kamerlid Fatma Koser Kaya is het met Sterk eens en heeft een amendement in voorbereiding om de toegangstoets uit de wet te halen. VVD-Kamerlid Malik Azmani wil niet zo ver gaan, maar vindt het wetsvoorstel op dit punt wel te bureaucratisch.

Mariette Hamer (PvdA) noemt de regeling een bureaucratisch gedrocht.

Volgens Sterk gaat de toets te veel uit van wantrouwen. De Krom vreest echter dat het loslaten van deze toets zorgt voor onterecht gebruik van de regeling.

Eerder waren de gemeenten al zeer kritisch over de dreigende bureaucratie rond de loondispensatie.

WMO

Zowel Sterk als Azmani vinden daarnaast dat de WWNV beter moet aansluiten bij andere wetten om de participatie te verbeteren, bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO).

“Mensen moeten nu vaak hun verhaal doen aan te veel verschillende instanties”, aldus Azmani. “Daarom moet er meer samenhang ontstaan tussen de regels.”

Sterk stelt voor dat gemeenten, zoals bij de WMO, ook binnen de WWNV verplicht worden om bij mensen langs te gaan voor een persoonlijk gesprek.

Wet

De Wet werken naar vermogen is bedoeld voor mensen die een bijdrage aan het arbeidsproces zouden kunnen leveren. Voor duurzaam volledig arbeidsongeschikte jongeren blijft de Wajong bestaan. De sociale werkplaatsen blijven bestaan voor hen die niet in een reguliere werkomgeving kunnen werken.

“Te veel mensen die kunnen werken, staan nu onnodig langs de kant”, stelt De Krom.

“Iedereen die (gedeeltelijk) kan werken, moet dat ook doen. Alleen zo kan de overheid ook in de toekomst bescherming blijven bieden aan mensen die echt op hulp en ondersteuning zijn aangewezen.”

Volgens De Krom is de helft van de mensen in de bijstand in staat om gewoon te werken. Hij wil de wet op 1 januari 2013 laten ingaan. Komende week vergadert de Tweede Kamer met De Krom over de Wet werken naar vermogen.

Bron: nu.nl

Werkcenter anticipeert op Wet Werken naar Vermogen (Wwnv)

ZUIDPLAS – Werkcenter Zuidplas gaat nog intensiever samenwerken met werkgevers in de gemeente Zuidplas. Vorige maand zijn met Nedco (Nieuwerkerk aan den IJssel) afspraken gemaakt om werknemers van Werkcenter direct met begeleiding aan werk te helpen binnen Nedco.

Werkcenter speelt hiermee in op de komst van de nieuwe Wet werken naar Vermogen die per 1 januari 2013 van kracht wordt. Hiermee beoogt de overheid te bereiken dat iedereen die (gedeeltelijk) kan werken ook naar vermogen gaat werken, en werk aantrekkelijker wordt dan een uitkering. De werkgeversdienstverlening zal met deze wet nog belangrijker worden.   Het eigen pand van Werkcenter Zuidplas aan de Hoofdweg Noord 39b in Nieuwerkerk aan den IJssel is inmiddels gesloten. Verscheidene potentiële werknemers zijn direct geplaatst bij werkgevers (zoals Nedco) en/of hebben een werkplek binnen Werkcenter Papendrecht gekregen.
Naast Nedco voert Werkcenter op dit moment ook met Promen positieve gesprekken over een intensievere samenwerking tussen Werkcenter en Promen.

WWNV-voorstel: een wolf in schaapskleren

In april 2011 verscheen de Hoofdlijnennotitie werken naar vermogen. Daarin worden de contouren geschetst van een nieuwe Wet Werken naar vermogen; een uniforme regeling voor ‘de onderkant van de arbeidsmarkt’ die meer eenheid en duidelijkheid en meer gelijke kansen op de arbeidsmarkt moet gaan brengen. De stelling die de auteurs in dit artikel betrekken, is dat dit niet gaat lukken op de voorgestelde manier. Zij onderbouwen dit door een aantal knelpunten bloot te leggen en geven in het licht daarvan de gedachte mee om de gelijkekansenproblematiek eens vanuit een andere invalshoek te benaderen.

1 Introductie

‘Zoveel mogelijk mensen met beperkingen bij reguliere werkgevers aan de slag!’ Dat is het motto van de Wet Werken naar vermogen (Wwnv) die, als het aan het kabinet ligt, de WWB, de WIJ en deels ook de Wajong en de Wsw moet gaan vervangen. Dit is een forse ingreep in het stelsel van sociale zekerheid, waaraan allerlei risico’s en onzekerheden kleven. Niet voor niets benadrukte de Commissie Fundamentele Herbezinning Wsw (Commissie de Vries) dat kiezen voor een fundamenteel andere aanpak een zorgvuldige voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist.[2] Uit de Hoofdlijnennotitie werken naar vermogen blijkt dat het kabinet dit advies in de wind slaat.[3] Het kabinet zet daarmee een breed omarmd advies naar eigen hand en beroept zich daarbij op de dringende noodzaak om het huishoudboekje van de staat op orde te brengen. Het plan van Commissie de Vries wordt zo gebruikt om een structurele bezuiniging van maar liefst € 1850 miljoen te realiseren.[4] Omdat het huishoudboekje om snelle actie vraagt, wil het kabinet de nieuwe regeling per 1 januari 2013 invoeren. Onze stelling is dat het kabinet hiermee een plan presenteert dat tot mislukken is gedoemd. Door geen tijd te nemen om met experimenten geleidelijk toe te werken naar de stip die Commissie de Vries op de horizon heeft gezet, miskent het kabinet niet alleen het probleemkarakter van de doelgroep, maar worden ook veelbelovende, naar die stip toewerkende initiatieven in de kiem gesmoord. Daar komt bij dat het voorstel geen antwoord heeft op voorzienbare implementatieproblemen die voortvloeien uit het plan om de uitvoering van de Wwnv bij gemeenten neer te leggen en gelijktijdig flink te bezuinigen op de re-integratiebudgetten en de werkpleinen. De voorgestelde regeling biedt op deze manier geen adequate oplossing voor het kernprobleem: het gebrek aan geschikte arbeidsplaatsen voor de beoogde doelgroep. Wat ons betreft moet het kabinet daarom terug naar de tekentafel: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedraaid!

Ter onderbouwing van dit standpunt begint dit artikel met een profielschets van de doelgroep om zo een duidelijker beeld te krijgen van hun arbeidsmarktpositie en het daarmee samenhangende kernprobleem (par. 2). Daarna wordt aangegeven hoe de adviezen van Commissie de Vries hierop inspelen (par. 3). De kabinetsplannen worden hiertegen afgezet (par. 4), hetgeen uitmondt in een conclusie (par. 5).

2 Profielschets

2.1Doelgroep van de Wwnv

Hoofddoel van de voorgestelde regeling is zo veel mogelijk mensen die door hun beperkingen aan de kant staan, bij voorkeur bij reguliere werkgevers aan de slag te helpen. Het kabinet richt zijn pijlen hierbij ten eerste op mensen die nu een uitkering ontvangen op grond van de WWB of de WIJ. De bedoeling is om deze ‘bestaande gevallen’ per 1 januari 2013 integraal onder de nieuwe regeling te brengen. Voor mensen die als gevolg van de samenvoegingsoperatie straks geen beroep meer kunnen doen op de WWB of de WIJ, gaat het nieuwe regime eveneens vanaf 1 januari 2013 gelden (nieuwe gevallen). Ook mensen die geenuitkering (kunnen) krijgen en niet op eigen kracht aan de slag komen, kunnen zich vanaf 1 januari 2013 op de nieuwe regeling beroepen.[5] Jonggehandicapten die na 1 januari 2012 instromen in de Wajong zullen een jaar later, dus per 1 januari 2014, onder de nieuwe regeling gaan vallen als uit een indicatiestelling blijkt dat zij arbeidsmogelijkheden hebben of potentieel kunnen ontwikkelen.[6] Tot slot zal de Wwnv vanaf 1 januari 2013 gaan gelden voor een substantieel deel van degenen die nu nog voor een Wsw-indicatie in aanmerking komen.[7]

2.2.Positie op de arbeidsmarkt

Het zal niet meevallen om deze mensen bij reguliere werkgevers aan het werk te krijgen. Althans tot nu toe blijkt dat voor een belangrijk deel van hen geen haalbare kaart. Van de circa 300 000 personen die nu een WWB-uitkering ontvangen, verricht bijvoorbeeld minder dan 15% betaald werk, dat veelal met ondersteuning wordt uitgevoerd. Dit heeft veel met hun beperkingen te maken: 80% van het bestand kampt met belemmeringen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard.[8] Van de circa 200 000 Wajongers werkt 25%; 54% van hen doet dat in Wsw-verband.[9] Ook hier speelt het profiel een belangrijke rol. Wajongers hebben per definitie beperkingen van lichamelijke, geestelijke of verstandelijke aard die op jeugdige leeftijd zijn ontstaan en hen belemmeren om ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen.[10] De Wsw is een last resort voor mensen met lichamelijke, psychische of verstandelijke beperkingen die zo ernstig zijn dat plaatsing bij een reguliere werkgever ook met ondersteuning redelijkerwijs niet mogelijk is.[11] De Wsw biedt hen gesubsidieerde arbeidsplaatsen die het werken onder ‘normale’ omstandigheden zo dicht mogelijk proberen te benaderen en uiteindelijk op doorstroming naar een reguliere, ongesubsidieerde arbeidsplaats zijn gericht. Niettemin maakt momenteel slechts 5% van het huidige Wsw-bestand een definitieve overstap naar een reguliere werkgever.[12] Het gros van de circa 100 000 Wsw’ers is werkzaam bij een sw-bedrijf.[13] In ruim 70% van de gevallen is daarbij sprake van een ‘beschutte plaatsing’ bij een regulier bedrijf, waarbij bijvoorbeeld ‘op locatie’ wordt gewerkt onder de verantwoordelijkheid en met begeleiding van het sw-bedrijf. Detachering bij reguliere werkgevers blijkt slechts in ongeveer 20% van de gevallen mogelijk en van ‘begeleid werken’ bij reguliere werkgevers is maar in 5% van de gevallen sprake.[14]

2.3 Kernprobleem: mismatch

Dit plaatje leert dat de Wwnv zich richt op groepen die vooralsnog moeilijk een plek kunnen vinden op de reguliere, betaalde arbeidsmarkt. Vaak wordt dit toegeschreven aan de wirwar van regelingen, niet goed functionerende re-integratie-instrumenten, financiële beperkingen of een te weinig vraaggerichte arbeidsbemiddeling. Maar daarmee is het plaatje niet compleet. Het gaat hier namelijk om mensen die door hun beperkingen niet zonder meer in staat zijn om regulier, betaald werk uit te voeren. Anders dan het kabinet veronderstelt, zal dit probleem bij een krapper wordende arbeidsmarkt niet min of meer automatisch verdwijnen. Het gaat hier om een structureel probleem dat wordt veroorzaakt door fundamentele veranderingen op de arbeidsmarkt. Zo zijn als gevolg van automatisering en technologische vooruitgang veel simpele, elementaire werkzaamheden verdwenen. De op de arbeidsmarkt beschikbare functies zijn bovendien complexer geworden door voorbereidende, uitvoerende en controlerende taken in één functie te verenigen. Ook wordt het beschikbare werk steeds meer georganiseerd in homogene teams. Dit vereist een flexibele inzet; werknemers moeten elkaar onderling kunnen vervangen en daarom, behalve over sociale vaardigheden, over een breed scala van deskundigheden beschikken. Al deze ontwikkelingen drukken een stempel op de eisen die worden gesteld aan de functies die beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt. Voor de beoogde doelgroep is dit fnuikend: werkgevers willen immers iemand die het best voldoet aan de functie-eisen, maar daaraan kan de doelgroep juist door hun beperking vaak niet voldoen. In selectieprocedures vallen zij daarom al snel af.[15]

Al met al is er zo een chronisch tekort aan passende functies voor mensen met beperkingen ontstaan, domweg omdat de afstand tussen hun mogelijkheden en de functie-eisen te groot is. Willen zij in grotere getale gaan deelnemen aan het arbeidsproces dan zal dientengevolge moeten worden geïnvesteerd in het creëren van functies die aansluiten bij hun arbeidspotentieel. Commissie de Vries en het kabinet zetten daartoe beiden in op optimalisering van de ondersteuning bij het vinden van werk door uniformering, meer maatwerk en vergroting van de bereidheid van werkgevers om mensen met beperkingen in dienst te nemen. Aan deze uitgangspunten wordt echter een verschillende invulling gegeven.

3. Adviezen van Commissie de Vries

3.1Behoefte aan ondersteuning centraal

Vertrekkend vanuit de constatering dat de huidige regelgeving een tweedeling veroorzaakt tussen mensen die wel en mensen die geen kans krijgen om mee te doen, wil Commissie de Vries komen tot een sluitend stelsel dat mensen met beperkingen dezelfde mogelijkheden tot ondersteuning biedt bij het vinden en/of behouden van werk: alleen zo kunnen gelijke kansen op arbeidsparticipatie en ontwikkeling worden gerealiseerd.[16] De commissie stelt hierbij de behoefte aan ondersteuning van de werkzoekende en de werkgever centraal en concentreert zich daarbij op werkzoekenden die tussen 20% en 100% van het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.[17] Anders dan het kabinet richt de commissie zich dus niet op de uitkeringsregeling waarin iemand zit, maar op het verdienvermogen.[18] Aangeraden wordt met deze methode te experimenteren door te beginnen met de Wajongers. Na evaluatie kan de regeling dan geleidelijk worden uitgebreid tot andere groepen.[19]

3.2 Uitbreiding van de loondispensatieregeling

Om kans op werk te vergroten, adviseert de commissie de loondispensatieregeling uit te breiden.[20] Het loon kan zo op bredere schaal worden afgestemd op de aanwezige arbeidsproductiviteit, ook al ligt de daarbij horende loonwaarde onder het wettelijk minimumloon. Omdat ondersteuning en begeleiding voor mensen met een beperkt arbeidsvermogen onontbeerlijk is, wordt voorgesteld de hieraan verbonden kosten te vergoeden tot een maximum van netto € 17 500 per jaar.[21] Het in dienst nemen van mensen met een geringe arbeidsproductiviteit wordt op deze manier aantrekkelijk gemaakt voor werkgevers. Om werken op deze basis ook voor de betrokkenen aantrekkelijk te maken, wordt voorgesteld het inkomen dat zij verdienen aan te vullen met een uitkering die, net als in de Wajong, zo is ingericht dat productiever worden loont. Gaandeweg kan zo maximaal 110% van het wettelijk minimumloon worden verkregen.[22]

3.3Randvoorwaarden

De commissie adviseert met klem om de loondispensatieregeling gefaseerd in te voeren, zodat verschillende methodes kunnen worden beproefd om de loonwaarde en de benodigde mate van ondersteuning en begeleiding te bepalen. Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden en de bereidheid bij werkgevers om de beoogde doelgroep aangepast werk te bieden, moeten UWV en gemeenten intussen, via de werkplekpleinen, intensiever met werkgevers gaan samenwerken. Ook spoort de commissie UWV en gemeenten aan tot verbetering van de integrale dienstverlening, zodat werkgevers effectief kunnen worden ondersteund bij het realiseren van aangepaste arbeidsmogelijkheden voor de doelgroep. Een mislukte ervaring is immers funest voor de bereidheid om opnieuw met iemand met beperkingen in zee te gaan. De commissie onderkent hiermee dat loondispensatie niet allesbepalend is bij het aannemen van personeel. Gerichte investeringen in een goed functionerende arbeidsbemiddeling en een actieve en doeltreffende werkgeversbenadering zijn eveneens van essentieel belang. De commissie ziet dit als essentiële randvoorwaarden waaraan moet zijn voldaan, wil de nieuwe aanpak vruchten kunnen afwerpen.[23]

4. Kabinetsplannen

4.1 Financiële en economische belangen centraal

Het kabinet lijkt met de nieuwe regeling eveneens gelijke kansen op de arbeidsmarkt te willen realiseren. Althans opmerkingen als ‘ieder mens […] verdient de kans om het beste uit zichzelf te halen’ en het uitgangspunt om dit primair bij reguliere werkgevers mogelijk te maken, wekken die indruk.[24] Uiteindelijk weegt de financieel economische noodzaak om het draagvlak van het socialezekerheidsstelsel te versterken en toekomstige personeelstekorten op te vangen echter zwaarder. De noodzaak om de groeiende overheidstekorten aan te pakken, doet daar een schep bovenop.[25] De kabinetsplannen wijken als gevolg hiervan op essentiële punten af van de adviezen van Commissie de Vries.

4.2Eén uniforme regeling die wordt uitgevoerd door de gemeenten

Fundamenteel verschillend is bijvoorbeeld dat het kabinet gelijke kansen op de arbeidsmarkt wil waarborgen door een aantal bestaande regelingen samen te smelten tot één uniforme regeling, die wordt uitgevoerd door de gemeenten. Doorslaggevend daarvoor is dat gemeenten het dichtst bij de burger staan en inmiddels hebben bewezen dat zij mensen met een activerende benadering heel goed aan de slag kunnen helpen.[26] Opdat deze lijn wordt voortgezet, volgt de Wwnv het stramien van de WWB op het vlak van de uitkeringsvoorwaarden, de re-integratieverplichtingen, de financiering en de uitvoering.[27] Verwacht wordt dat het mes zo aan twee kanten zal snijden. Dit stramien activeert mensen immers om aan het werk te gaan en geeft gemeenten een financieel belang om hen daarbij effectief te ondersteunen. Om dat te bevorderen krijgen gemeenten, net als in de WWB, een grote beleidsvrijheid bij de bepaling wie voor welke vorm van ondersteuning in aanmerking komt, welke ondersteuningsvorm het meest geschikt is en hoe daaraan uitvoering wordt gegeven. Ook zullen de re-integratiebudgetten die nu nog uit verschillende geldstromen bestaan, worden samengevoegd.[28] Verwacht wordt dat gemeenten de beschikbare voorzieningen zo gerichter kunnen inzetten, waardoor de doelgroep beter op maat kan worden bediend. Het kabinet kiest daarmee voor een eigen koers en volgt Commissie de Vries alleen waar het gaat om een bredere inzet van de loondispensatieregeling.[29]

4.3 Bezuiniging op de re-integratiebudgetten

Met de nieuwe regeling heeft het kabinet echter meer in petto. Daarmee moeten namelijk ook forse bezuinigingen worden gerealiseerd. Zo gaat de voorgenomen ontschotting van de re-integratiebudgetten gepaard met een flinke korting op het budget dat gemeenten uiteindelijk in handen krijgen. Dit moet een structurele bezuiniging opleveren van € 800 miljoen.[30] Aangenomen wordt dat deze korting tot een efficiëntere inzet van de beschikbare middelen zal leiden. Maar daarmee is niet verzekerd dat de doelgroep ook effectiever zal worden ondersteund bij het vinden van werk. Essentieel daarvoor is dat er doelgericht wordt geïnvesteerd in het vinden van werkplekken die aansluiten bij hun arbeidsvermogen en dat er voldoende middelen

beschikbaar zijn om de daarmee samenhangende kosten te dekken. Commissie de Vries adviseert dit te waarborgen door aan de loondispensatieregeling een budget te koppelen waaruit noodzakelijke ondersteunings- en begeleidingskosten kunnen worden gefinancierd. Het kabinetsplan voorziet daar niet in en biedt daardoor geen enkele garantie dat die kosten zullen worden gedekt.

Het kabinet negeert daarmee dat een groot deel van het beschikbare budget nodig zal zijn voor de financiering van vaste lasten.[31] Maar ook het probleemkarakter van de doelgroep wordt hiermee miskend. Immers, zonder ondersteuning en begeleiding op de werkplek zullen zij hun arbeidsmogelijkheden vaak niet kunnen waarmaken. Worden de kosten die dit meebrengt niet gecompenseerd, dan zullen werkgevers minder snel geneigd zijn om mensen met een beperkt arbeidsvermogen in dienst te nemen. Dat ze voor loondispensatie in aanmerking kunnen komen, is daarbij niet allesbepalend. Belangrijk is ook dat er een functie kan worden gevonden die kan worden uitgevoerd zonder dat het bedrijfsresultaat afneemt.[32] Om nader te onderzoeken hoe dit kan worden gerealiseerd, zijn pilots in gang gezet.[33] De uitkomsten daarvan worden echter niet afgewacht. Dit zet de loondispensatieregeling op losse schroeven, terwijl die regeling wordt aangereikt als hoofdmiddel om de beoogde doelgroep bij reguliere werkgevers aan de slag te krijgen.[34]

Al met al dreigen niet alleen uitkeringsgerechtigden, maar ook niet-uitkeringsgerechtigden hierdoor aan de kant te blijven staan. Dit klemt temeer nu die laatste groep waarschijnlijk zal toenemen. De keuze voor het stramien van de WWB heeft namelijk tot gevolg dat alle middelen van de betrokkene en zijn partner zullen worden meegenomen bij de vaststelling van het recht op uitkering.[35] Mensen die met de Wwnv te maken krijgen, zullen hierdoor lang niet altijd voor een uitkering in aanmerking komen.[36] Omdat uitstroom naar werk van niet-uitkeringsgerechtigden gemeenten financieel niets oplevert, loopt deze groep het risico helemaal onderaan het prioriteitenlijstje van gemeenten terecht te komen.[37] Van de doelstelling om de doelgroep effectiever te ondersteunen bij het vinden van een geschikte werkplek, komt zo weinig terecht.

4.4Bezuiniging op de Wajong

Achter het voornemen om een deel van de huidige Wajongers onder de nieuwe regeling te brengen, schuilt eveneens een bezuinigingsdoel. Vrees voor herhaling van het ‘WAO-drama’ is hier de drijfveer.[38] ‘Overheveling’ van een deel van de Wajongers naar de Wwnv kan dit voorkomen. De doelgroep van de Wajong kan daarmee immers worden beperkt tot een relatief kleine groep.[39] Op termijn moet daarmee een bezuiniging worden gerealiseerd van € 900 miljoen.[40] Aangenomen wordt dat jonggehandicapten met deze overheveling zijn gebaat: de nieuwe regeling zal hen namelijk een betere springplank bieden naar regulier werk dan de huidige Wajong. Die springplank is echter op drijfzand gebouwd en levert daarom eerder een sprong in het duister op.[41]

Zo zullen jonggehandicapten door die overheveling onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeenten worden gebracht. De expertise om deze groep, al dan niet met loondispensatie, te ondersteunen bij het vinden van een geschikte werkplek ligt echter bij het UWV. Door overheveling naar de nieuwe regeling dreigt deze expertise verloren te gaan, terwijl de manier waarop het UWV uitvoering geeft aan de nog prille werkregeling van de Wajong, juist vruchten begint af te werpen.[42] Afspraken die het UWV maakt met werkgevers(organisaties) over het in dienst nemen van Wajongers, bevorderen deze ontwikkeling. Het kabinet wil voorkomen dat dit proces wordt verstoord door de UWV-expertise ‘op zorgvuldige wijze’ bij de gemeenten onder te brengen.[43] Maar daarmee is nog niet gegarandeerd dat gemeenten hun nieuwe taken naar behoren kunnen uitvoeren. De ervaring leert dat de betrokkenheid van landelijke sectoren en branches daarvoor essentieel is. Via de werkpleinen is daaraan de laatste jaren een extra impuls gegeven. Door het aantal werkpleinen drastisch te verminderen, wordt dat nu weer afgebroken.

Daar komt bij dat werkgevers die landelijk of regio-overschrijdend opereren niet met iedere afzonderlijke gemeente zaken kunnen en willen doen. Het kabinet denkt dit probleem te kunnen ondervangen met een actieve werkgeversbenadering en het verzinnen van een list om het uitgangspunt van één loket zo goed mogelijk te borgen. Verder worden kleine gemeenten aangespoord om samenwerkingsverbanden met andere gemeenten aan te gaan, zodat de dienstverlening aan werkgevers op een effectief schaalniveau kan worden uitgevoerd.[44] De werkgeverskant komt er zo bekaaid af, terwijl de nieuwe regeling staat of valt met de bereidheid van werkgevers om mensen met beperkingen in dienst te nemen. Die bereidheid zal alleen worden vergroot als werkgevers maximaal worden ondersteund bij het creëren van werkplekken die aansluiten bij hun arbeidspotentieel. Gemeenten zullen daarin moeten voorzien zonder dat is gewaarborgd dat zij over de daarvoor noodzakelijke infrastructuur beschikken en voldoende middelen in huis hebben om daaraan vorm te geven. Verblind door de bezuinigingsnoodzaak worden voorzienbare implementatieproblemen daarmee op de koop toegenomen. Het kabinet neemt hiermee een onverantwoord risico en ondergraaft aldus opnieuw zijn eigen doel.

4.5 Bezuiniging op de Wsw

De nieuwe regeling wordt eveneens aangegrepen om fors te bezuinigen op de Wsw. Leidend hierbij is dat minstens de helft van de huidige Wsw’ers met enige begeleiding wel aan de slag kan bij een reguliere werkgever.[45] Het kabinet wil dit bevorderen door aanscherping van de indicatiestelling. Met ingang van 1 januari 2013 moet deze maatregel de toegang tot de Wsw gaan beperken tot personen die zijn aangewezen op ‘beschut werk’. Beoogd wordt de Wsw daarmee terug te brengen naar zijn oorspronkelijke doel. De consequentie hiervan is dat er geleidelijk ongeveer 70 000 Wsw-werkplekken moeten verdwijnen.[46] Dit moet een structurele bezuiniging opleveren van € 650 miljoen.[47] Het gevolg hiervan is dat een deel van de nieuwe instroom niet meer voor de Wsw in aanmerking zal komen. In principe gaan zij vallen onder de Wwnv en daarmee onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeenten. Het zal echter niet eenvoudig zijn om deze groep bij reguliere werkgevers onder te brengen. Aanscherping van de indicatiestelling betekent immers niet dat deze groep ineens minder beperkingen heeft. Het blijft dus een groep die door hun beperkingen alleen onder aangepaste omstandigheden zal kunnen werken. Voor veel gemeenten is dit nog een onbekend terrein. Het creëren van een geschikte werkplek voor deze groep hebben zij immers vaak toevertrouwd aan sw-bedrijven. Door de jaren heen hebben die bedrijven waardevolle expertise opgebouwd op dit gebied. Doordat die bedrijven zich de laatste jaren meer zijn gaan toeleggen op het realiseren van plaatsingen buiten Wsw-verband, beschikken zij in principe ook over de infrastructuur om deze groep voor te bereiden op en te ondersteunen en te begeleiden bij de uitvoering van werkzaamheden bij reguliere werkgevers.

Dit proces speelt zich af binnen de sw-bedrijven en is nog volop in ontwikkeling. De voorgenomen ingreep in de Wsw verstoort dit proces. Dit dwingt sw-bedrijven immers om in te krimpen, terwijl tegelijkertijd de rijkssubsidie voor Wsw-werkplekken in drie jaar tijd wordt afgebouwd tot het bedrag dat toereikend moet zijn om de 30 000 overblijvende werkplekken te financieren. Door het besluit om de rechtspositie van het zittende bestand in stand te houden, zal de ‘efficiencyslag’ die sw-bedrijven zullen moeten maken, hoofdzakelijk moeten worden gerealiseerd door te bezuinigen op de overige kosten, waaronder begeleidingskosten en de aanwezige infrastructuur. In theorie is verhoging van de inkomsten via detachering of begeleid werken ook een manier om het hoofd boven water te houden. Maar de mogelijkheden daartoe zijn beperkt: een groot deel van het zittende bestand zit immers al jaren in de Wsw en is daardoor moeilijk bij reguliere werkgevers te plaatsen.

Met het bedrag van € 400 miljoen dat het kabinet eenmalig ter beschikking heeft gesteld om dit transitieproces te ondersteunen, zullen niet alle problemen kunnen worden opgelost.[48] Zo betekent de noodzaak om het aantal Wsw-plekken te verminderen dat er voor mensen die geïndiceerd zijn voor de Wsw een ander onderkomen binnen Wsw-verband moet worden gevonden.[49] Vermindering van het aantal werkplekken vermindert echter ook de kans dat sw-bedrijven daarin slagen. De consequentie hiervan is dat de wachtlijsten zullen groeien. Voor de betrokkenen betekent dit dat zij zijn vrijgesteld van de re-integratieverplichtingen die zijn verbonden aan een eventuele uitkering. Naarmate er minder Wsw-werkplekken zijn, impliceert dit dat een groeiende groep thuis moet gaan zitten wachten op een passende arbeidsplek en dus niet (meer) naar vermogen werkt.[50]

De groep die vanaf 1 januari 2013 onder de Wwnv wordt gebracht, valt onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeente en zal dus moeten voldoen aan de re-integratieverplichtingen van de Wwnv. Door hun beperkingen zal een belangrijk deel van hen niet vanzelfsprekend inzetbaar zijn in het reguliere arbeidsproces. Zij zullen dus moeten deelnemen aan re-integratietrajecten om de kans daarop te verhogen. Daarmee is echter niet verzekerd dat ze aan het werk komen. Van belang daarbij is bijvoorbeeld dat de gemeente de aanwezige arbeidscapaciteit adequaat weet te matchen met de mogelijkheden die er bij reguliere werkgevers zijn om hen in te passen in hun organisatie. De in par. 2.2 gepresenteerde cijfers laten echter zien dat er grenzen zijn aan de bereidheid van werkgevers om daarin te investeren. Het is aan gemeenten om hen daartoe te verleiden, maar door de geplande korting op de re-integratiebudgetten en de mogelijke impact daarvan op de verleidingskracht van de loondispensatie, zal dat lang niet altijd lukken. Langdurige deelname aan re-integratietrajecten op straffe van vermindering van de inkomensondersteuning die de Wwnv biedt, is dan het perspectief. Als het aan het kabinet ligt, kan dit in de toekomst ook inhouden dat mensen die vallen onder de re-integratieverantwoordelijkheid van gemeenten zich naar vermogen nuttig maken op een manier die de arbeidsinschakeling niet direct bevordert.[51] Per saldo drijven we zo steeds verder af van de doelstelling om zo veel mogelijk mensen in staat te stellen om hun arbeidspotentieel bij reguliere werkgevers productief te maken.

5 Terug naar de tekentafel

Alles bij elkaar genomen is onze conclusie dat dit plan tot mislukken is gedoemd. Dat het plan geen doeltreffend antwoord heeft op voorzienbare implementatieproblemen is hiervan niet de enige oorzaak. De belangrijkste reden hiervoor is dat dit plan is verpakt in bezuinigingsmaatregelen. Het

plan gaat hierdoor totaal voorbij aan het probleemkarakter van de doelgroep en het daarmee samenhangende gegeven dat het hier gaat om mensen die veelal zijn aangewezen op werkzaamheden waarin het reguliere arbeidsproces niet vanzelf voorziet. Dit probleem wordt niet opgelost door twee nieuwe groepen onder te brengen in een aangescherpt WWB-regime en er vervolgens van uit te gaan dat gemeenten met beduidend minder middelen en een activerende benadering wel in staat zullen zijn om een substantieel deel van de beoogde doelgroep bij reguliere werkgevers aan de slag te krijgen. Als het aan ons ligt, moet het kabinet daarom terug naar de tekentafel, zodat samen met de kernspelers in het veld kan worden toegewerkt naar een regeling die doeltreffend inspeelt op de bestaande kloof tussen de arbeidsmogelijkheden van de doelgroep en de eisen die aan het verrichten van arbeid op de reguliere arbeidsmarkt worden gesteld.

Neemt het kabinet het streven naar gelijke kansen op de arbeidsmarkt serieus, dan zal aan de tekentafel de vraag hoe die kloof kan worden overbrugd centraal moeten staan. Vertrekpunt daarbij kan nog steeds zijn dat er een uniforme regeling moet komen die de bestaande ‘lappendeken’ omvormt tot een transparant en consistent geheel en de beoogde groepen gelijk behandelt. Nu deze groepen vergelijkbare problemen hebben en al grotendeels vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten, is er wat voor te zeggen om de uitvoering van de nieuwe regeling aan hen toe te vertrouwen, mits de tijd wordt genomen om de gesignaleerde knelpunten op te lossen en adequaat wordt gewaarborgd dat gemeenten deze taak ook naar behoren kunnen uitvoeren.

Ons voorstel is om bij de verdere uitwerking de gelijkekansenproblematiek eens vanuit een andere invalshoek te benaderen. De consequentie van de manier waarop het kabinet gelijke kansen wil realiseren, nodigt daartoe uit. Het gevolg daarvan is namelijk dat het grootste deel van de doelgroep wordt onderworpen aan een re-integratieregime. Hun kans op werk hangt daarmee af van de bereidheid van werkgevers om hen in dienst te nemen. Gebeurt dat niet, dan zal deze groep moeten deelnemen aan re-integratietrajecten die na verloop van tijd steeds minder perspectief bieden op een volwaardige arbeidsplaats. Voor het overblijvende deel van de doelgroep wordt daarentegen werk gecreëerd dat is toegesneden op hun arbeidsmogelijkheden en dat op basis van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. Deze groep is dus niet alleen verzekerd van een arbeidsplaats, maar wordt zo ook in een gelijkwaardige arbeidspositie gebracht. Dit komt hun eigenwaarde ten goede en voorkomt de negatieve spiraalwerking die de andere groep boven het hoofd hangt.

De vraag rijst hoe dit onderscheid kan worden gerechtvaardigd. Immers, in beide gevallen gaat het om groepen die veelal alleen met specifieke voorzieningen bij reguliere werkgevers kunnen worden ondergebracht en dus feitelijk veelal alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken. Werkgevers moeten daarin willen investeren, maar zullen daartoe ondanks allerlei verleidingstactieken lang niet altijd bereid zijn. Wordt het niet tijd om te erkennen dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden om de hele doelgroep bij reguliere werkgevers onder te brengen? Wordt het streven naar gelijke kansen op de arbeidsmarkt niet veel dichter benaderd door dit verschil in behandeling op te heffen en gemeenten de verantwoordelijkheid te geven om voor beide groepen bij hun arbeidsmogelijkheden passend werk te creëren dat op basis van een arbeidsovereenkomst kan worden uitgevoerd? Het zou mooi zijn als de aandacht aan de tekentafel zich op dit soort vragen zou richten. Weg met de stigma’s: dat zou het centrale thema moeten zijn.

Voetnoot

[1]

Prof. mr. S. Klosse is hoogleraar sociaal recht te Maastricht; prof. dr. J. Muysken is hoogleraar economie te Maastricht.

[2]

B. de Vries, Werken naar vermogen — Advies van de commissie fundamentele herbezinning Wsw, 2008, p. 11 en 12.

[3]

Kamerstukken II 2010/11, 29 544, nr. 297. Deze Hoofdlijnennotitie werd op 21 april 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd.

[4]

Hoofdlijnennotitie, p. 14.

[5]

Hoofdlijnennotitie, p. 7 en 11.

[6]

De Wajong blijft bestaan voor jonggehandicapten die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (nieuwe en oude gevallen) en voor jonggehandicapten die vóór 1 januari 2012 zijn ingestroomd in de Wajong: Hoofdlijnennotitie, p. 6-8.

[7]

Hoofdlijnennotitie, p. 4 en 12. Voor mensen die nu een Wsw-indicatie hebben, blijft het thans geldende Wsw-regime bestaan: Hoofdlijnennotitie, p. 8.

Bron: Tijdschrift: recht en arbeid, aflevering 8/9

 

Medewerkers NLW voeren actie in Den Haag

Op donderdag 22 maart vindt op het Malieveld in Den Haag een grote manifestatie plaats. Onder het motto ‘Geen toekomst achter de geraniums’ voert de sociale werkvoorziening actie tegen de gevolgen van de nieuwe Wet Werken naar Vermogen.

Ook de medewerkers van NLW Groep in Venray kunnen op 22 maart naar Den Haag. Het actiecomité van NLW zorgt voor busvervoer. De Wet Werken naar Vermogen gaat in per 1 januari 2013. Het heeft grote gevolgen voor de sociale werkvoorziening. ‘Het raakt iedereen, ook jou. Dus zorg dat je erbij bent. Het gaat om jouw werk, jouw toekomst’, zo roept het NLW-actiecomité iedereen op mee te gaan naar Den Haag.

Bron: Peelenmaasonline

De Tweede Kamer besluit binnenkort of de Wet Werken naar Vermogen wordt aangenomen. Het doel van deze wet is meer mensen aan het werk te krijgen. “Dat klinkt mooi, maar we vrezen dat door deze wet juist heel veel mensen thuis, achter de geraniums komen te zitten’, zegt Ed Stevens van het actiecomité.

De opzet is zo veel mogelijk medewerkers in de sociale werkvoorziening te laten uitstromen naar ‘normale’ werkgevers. De vrees is dat die banen er niet zijn, terwijl tegelijkertijd de sociale werkvoorziening wordt afgebroken. De actievoerders pleiten ook voor op zijn minst uitbetaling van het wettelijk minimumloon.

“Arbeidsgehandicapten verdienen het om normaal werknemer te zijn. Daarom zijn wij tegen loondispensatie”, aldus Stevens. De werknemers in de sociale werkvoorziening dienen net als alle andere werknemers een cao te krijgen die jaarlijks wordt vernieuwd. Ook mag er niet bezuinigd worden op de begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking. De sociale werkvoorziening krijgt steun van AbvaKabo FNV om op 22 maart ‘samen sterk’ actie te voeren. Aanmelden voor de bus naar Den Haag kan tot en met 12 maart bij Ed Stevens. E-mail e.stevens@nlw.nl of telefoon 552439.